Vrijdag is mijn term alweer voorbij dus deze week is "dead week": een hele week papers schrijven en en laatste poging doen om alle game theory onder de knie te krijgen voor het tentamen. Wat blijkt, lang nadenken is niet altijd goed voor je grip op de werkelijkheid:
1 comment:
Zij keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neer op haar schouders, stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in vierkante blokken
[p. 113]
zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden, bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.
Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar toegolfde als een klimmende dampende vloed Het grasveld vlak voor de ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind, die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan d'overkant, van links en rechts over de straatweg en door Mathildes tuin aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en stortvloeden van zwartheid, die van over Bagatelle's dak, en langs beide zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten, opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend, zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neêrstrijkend, of zijn gele effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samensluitend, tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend losrukkend en er
[p. 114]
in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den donkeren hemel. De witte en grijs-blauwe huizen aan d'overkant, met hun kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heesters met hun breedte vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend, zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er van-éen, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken op, maar zij sloten weêr samen, en als een troep ijzeren gedaanten drongen zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen, schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuin, om neer te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech, verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er weêr uit op.
Uit het beroemde dertiende hoofdstuk van Van Deyssels "Een liefde".
Succes met je tentamen
Post a Comment